Eva Schlegel
Context
Eva Schlegel (°1960 Hall, Oostenrijk) blikt vandaag reeds terug op een lange, ononderbroken creatieve ontwikkeling in haar werk. Aanvankelijk maakt Schlegel voornamelijk grafietwerken op gips. Zij grift diagonale en tegendiagonale lijnen op de relatief vlakke panelen, soms als onderscheidene groepen van lijntekens, soms als uit elkaar gaande en dan weer verdichtende lijnstructuren. Het grafiet dat op het gips werd aangebracht creëert een homogeen, zilverglanzend oppervlak dat alles lijkt te absorberen. De ingegrifte patronen gedragen zich als donkere of zwarte schaduwen.
Enerzijds refereren ze aan geheime schrifttekens en anderzijds zijn het reële structuren. De allusies worden pas duidelijk in het reeksverband. Aan de grafietwerken voegt ze bijvoorbeeld een loden werk toe waarop ze een foto ontwikkelt. De foto stelt bijvoorbeeld een rotsachtige bergtop voor die ze in zwart op het lood reproduceert. Het spel van licht en schaduw op de rotsstructuren wordt in relatie gebracht met de gegraveerde lijnen in de grafietwerken waar ze de motieven verder reduceert en abstraheert. Het is in die verschillende nuances dat de vrijheid van de kunstenares evident wordt: ze werkt parallel met de natuur maar laat er zich niet door binden. In een ander werk gebruikt ze glas als drager voor het rotsmotief dat ze met zeefdruktechniek op het glas aanbrengt in zwart en wit, eerst als positief, dan als negatief. De motieven van haar foto's op glas of lood zijn meestal afkomstig van oude cassettes die zij tussen vuilnis vond. Het zijn amateursfoto's op glasplaten uit de vroegere dagen van de fotografie.
Schlegel in niet geïnteresseerd in de voor haar anonieme personages noch in de verhalen die ze vertellen maar in de associaties die ze losmaken. Haar schilderijen uit de tachtiger en begin negentiger jaren zijn van die aard dat men ze ook als objecten kan beschouwen. De grafietwerken en werken met foto's zijn vlak terwijl de beschilderde en met gips bewerkte panelen convex gebogen zijn. Schlegel werkt in reeksen, gerangschikt in drie of vier paren. In haar schilderijen op gips behandelt zij telkens één motief dat bijvoorbeeld vertrekt van een natuurimpressie. De verschillende stadia van een temporeel proces worden op een abstracte manier getoond. Ze begint met het maken van de gipsen platen. Het motief is meestal een spel van wolken, een hemel vol beweging. Eerst schildert ze met zwart op de witte grond waardoor er een licht-donker contrast ontstaat. Dan brengt ze laag na laag op de gipsen platen die horizontaal liggen, vernis aan gemengd met olieverf. Het oorspronkelijk harde zwart-wit- en daarmee samengaand licht-donker-contrast wordt stap voor stap teruggedrongen en het atmosferische komt in de plaats. Langzaam krijgen de voorbijdrijvende wolkensluiers gestalte. Deze objectachtige schilderijen worden geschilderd met een toets van licht geel en in gradaties van warme grijstinten tot duistere bruinen. Ze geven uitdrukking aan een rijke atmosferische wereld. Het waren de romantische kunstenaars die ons leerden kijken naar het wolkenspel aan de hemel maar deze ervaring gaat verder terug in de geschiedenis.
Reeds eeuwen observeert de mens de sterren en fenomenen aan de hemel om maar niet te spreken over de rijke visuele ervaringen die ontstaan vanuit vogelvlucht. Eva Schlegel bewandelt aan andere weg. De motieven die ze gebruikt reflecteren de manier waarop zij de hemel of een landschap ervaart. Zij staat haar verbeelding echter niet toe figuren te projecteren in het suggestief vormenspel. Integendeel, zij abstraheert haar gevonden vormen. Zo ontstaat als het ware een algemeen omvattende voorstelling van de wereld die ogenschijnlijk bevrijd is van het subjectieve. Het beeld is gegroeid uit de subjectiviteit van de kunstenares en beantwoordt aan een niet te stuiten drang tot objectivering. De convex gebogen vorm van de schilderijen op gips alsook de glanzende huid die een zekere weekheid in zich draagt intensifiëren dit effect. Schlegel maakt dikwijls diptieken die ze naast elkaar aan de wand hangt of soms op sokkels presenteert. In de reeksen wordt ook de tijd geïntegreerd omdat hetzelfde motief in verschillende atmosferen herhaald wordt. Ze werkt ook met kleureffecten door het ene werk te laten oplichten en het andere dan weer te verduisteren.
Het nieuwe werk van Eva Schlegel staat in direct verband met haar vroeger werk. Haar installaties van glasplaten, namelijk onscherp schrift met zeefdruk op glas aangebracht, lagen aan de basis van het werk dat zij in 1995 realiseerde voor de Biënnale van Venetië. Ze zijn ontstaan uit een onderzoek van de immateriële ruimte. De idee wordt getransformeerd en geabstraheerd. Iets lezen betekent dat men zich in een soort gedachtenruimte (dus niet tastbaar in fysieke zin) bevindt. Glas is door zijn helderheid en transparantie de meest geschikte drager om hieraan uitdrukking te geven. De glasplaten hebben een mensenmaat (de klassieke 180 cm) en de proporties van een bladzijde uit een boek. Schlegel maakt foto's van verschillende soorten teksten: theoretische, interviews, vertellingen, wetenschappelijke uiteenzettingen en lyriek. Daarbij selecteert ze de teksten zo dat hun visuele verschijning niet te uiteenlopend is. Zo wil ze het vooraf waarderen van esthetische categorieën vermijden. Het is ook belangrijk dat de tekstpagina's niet als schilderijen voorgesteld worden maar relatief ongeordend tegen een wand aanleunen en waarbij de galerieruimte als een soort opslagplaats gebruikt wordt. Wanneer men de installatie betreedt krijgt men het gevoel alsof men zich tussen de losse bladzijden van een boek bevindt. Alhoewel de primaire informatie weg is identificeert men de glasplaten met tekstpagina's. Wat Schlegel vooral interesseert is wat een tekst als dusdanig herkenbaar maakt wanneer hij niet leesbaar is en waarin een tekst zich onderscheidt van een beeldvoorstelling.
De fundamentele vraagstelling die haar in al haar werk bezighoudt heeft betrekking op de verschillende mogelijke manieren om kunst te 'lezen' of te interpreteren. Dit betekent dat zij enerzijds strikt formele structuren uitwerkt die geen ruimte laten voor de uitdrukking van innerlijke gevoelens of voor het verhalende en dat deze formele structuren anderzijds verwijzen naar de verschillende contexten van interpretatie. Wanneer zij de leesbaarheid van een 'beeld' onderzoekt door bijvoorbeeld verschillende oppervlaktestructuren te gebruiken interpreteert zij haar 'objecten' als kunstwerken met een esthetische betekenis. Terzelfdertijd poogt zij het waarnemingsproces, dat beïnvloed is door kunsthistorische cliché's, in vraag te stellen. De idee van een traditioneel geschilderde voorstelling als weergave van de realiteit wordt gerelativeerd door een tegenproces, namelijk het tot stand brengen van een oppervlak dat door de toeschouwer slechts als een 'beeld' kan worden waargenomen.