Jacques Charlier
Context
Op 15 jarige leeftijd vangt Jacques Charlier (° 1939 Luik, België) op zichzelf aan kunst en de strategie van de kunstmarkt te bestuderen. Geïsoleerd in zijn provincie heeft hij biografieën, woordenboeken en catalogi verzameld en als goede autodidact heeft hij ze stelselmatig geanalyseerd. Zijn eerste tentoonstellingen (begin jaren zestig) zijn een soort 'mises-en-scène' van in onbruik geraakte objecten die hij vindt op rommelmarkten en waarin hij dikwijls foto's integreert.
In 1963 begint hij een verzameling professionele foto's aan te leggen gemaakt door de Provinciale Technische Dienst van Luik waar hij werkt. Hij benadert de foto's vanuit een reactie op de Pop Art en het Nouveau Réalisme.
Van 1965 tot 69 breiden zijn activiteiten zich in alle richtingen uit: poëtische teksten, gitaar spelen, fotografie, uitgave van een tijdschrift, postkunst, film, conferenties en nog veel meer. In de jaren zeventig komt hij via Broodthaers in contact met Spillemaeckers die net een galerie opende. Daar worden voor de eerste maal de professionele foto's van de Provinciale Technische Dienst in Luik tentoongesteld, een werk dat nu deel uitmaakt van de verzameling van het Museum Van Hedendaagse Kunst in Gent. In die periode ontstaan ook de vernissagefoto's, fotoromans, humoristische tekeningen (onder meer van Konrad Fischer) en muzikale evenementen.
De tachtiger jaren worden gekenmerkt door schilderijen met gemodelleerde beeldjes waarin de spot gedreven wordt met de nieuwe stromingen van die tijd. In de "Chambre d'ennemi" (1986), in Gent gerealiseerd voor de ophefmakende "Chambre d'amis"-tentoonstelling, doet Charlier ook beroep op levende acteurs en gebruikt hij meubels en specifieke objecten om een fantasmatische omgeving te reconstrueren. "La vie éternelle (1987) gerealiseerd in Düsseldorf, Bergen en Nantes behoort tot hetzelfde onderzoek, net zoals de grote installatie "Le pouvoir de la vie" (1988) van Bezugspunkte 38/88, gerealiseerd in Graz.
Vanaf 1986 beklemtoont Charlier het gebruik van kaders uit vervlogen tijden, verouderingsprocessen, artificiële craquelures, ingebeelde namen en uitgevonden critici. De voorwerpen gevonden op rommelmarkten verschijnen opnieuw met een duidelijke wil om verwarring te stichten en de artistieke stromingen te interpreteren. Hij gaat onvermoeibaar van één techniek naar een andere en vormt hiermee de essentie van wat hij met aandrang zijn 'activiteiten' noemt. Charlier schept genoegen in het nadenken over zijn tijdperk door zich te omgeven met regressieve en verstreken beelden die vandaag verdrongen zijn uit het collectief bewustzijn. De werken uit de negentiger jaren getuigen van de consequente lijn die in het oeuvre van Charlier terug te vinden is.. Elk jaar realiseert hij zijn 'nieuwe' kunst maar steeds gedraagt hij zich als een kameleon die de verschillende onderwerpen met de nodige scherts aanpakt.
In de werken die in 1996 ontstaan neemt hij de politieke en sociale situatie in België (de Witte Mars, de verdwenen kinderen, vermoorde politici) onder de loupe. In 1997 concentreert hij zich voornamelijk op het medium fotografie. Hij werkt met gevonden foto's van 'kunstenaars' uit de wereld van de showbizz waarop hij subtiele collages van uitgeknipte krantenteksten aanbrengt. De foto's worden in oude lijsten gepresenteerd en hier en daar voegt hij er stukjes suggestief textiel aan toe. Charlier heeft bewust gekozen geen persoonlijke 'stijl' te ontwikkelen zodat hij onverbeterlijk het aura rond 'kunst' kan blijven doorprikken.


